Ik heb ze moeten weghalen. In de donkere tuinen. Mos is niet gewenst. Maar ze lachen je uit. Hij komt altijd weer terug. De Sagina is dan het siermosje tussen de tegels of als randbeplanting. Deze mag er wezen met haar witte bloemen. Zo talrijk aanwezig met een groene zode.

Alma Whittaker raakte ook in haar latere jaren in de ban van dit onderkruipsel van groen. Ze heeft het aangelegd en vooral gekoesterd in de Hortus-Botanicus. Na het lezen van ‘Het hart van alle dingen’ van Elizabeth Gilbert ben ik ook zoekende naar mos. Ik zie ze onder de bruggen. Heel vaak onder varens als bodemkleed. Tussen de tegels van daktuinen daar waar je niet hebt opgeruimd en ook bij mij achter in een verlaten hoek. Daar waar je mos ziet,  daar was je iets vergeten.

Maar ze zijn zo nuttig. Ook deze planten geven ons een schonere lucht. Ze zijn aaibaar genoeg. Mossen hebben geen wortels maar rhizoïden: kleine celdraadjes waarmee ze zich hechten aan de ondergrond. Ze zijn zeer effectief, waardoor mossen kunnen groeien op plekken waar andere planten ontbreken. Denk daarbij aan steen of boomschors. Meerjarige mossen blijven zowel in de zomer als in de winter altijd groen. In bossen zijn de mossen maximaal actief als andere planten nog op non-actief staan. Ook dat is een aanpassing van levensbelang.

Mossen kunnen het oppervlak, waardoor water verdampt, aanzienlijk verkleinen door te verschrompelen. Veel bladmossen en bebladerde levermossen kunnen snel water opnemen; een uitgedroogd mos zwelt – nadat het nat is geworden – binnen enkele minuten weer op. Veenmossen kunnen lang water vasthouden in speciaal gevormde cellen waardoor het niet zo snel verdampt als bij vele andere mossen. Een andere manier om uitdroging tegen te gaan is kussenvorming. Omdat de plantjes zo dicht opeen staan, blijft het kussentje inwendig langer vochtig. Sommige mossen hebben bladtoppen met een lange glashaar. Deze komen vaak voor bij mossen die op open plaatsen leven. Er wordt gedacht dat deze glasharen zonlicht weerkaatsen en zo de mosplantjes behoeden voor uitdroging. Bij enkele mossen staan bij droogte alle levensprocessen op een zeer laag pitje totdat de omstandigheden weer verbeteren.

Sporen van mossen zijn over het algemeen goed bestand tegen vocht, droogte, koude en hitte en kunnen vele jaren ergens liggen totdat de omstandigheden gunstig genoeg zijn om zich te ontwikkelen tot mosplantje.